|
DAT IK ZIENDE MAG WORDEN
Kun je me zien? vraag ik en stap
naar achter maar jij pakt mijn hand
en leidt mijn vingertoppen langs
de winkelhaak boven je slaap.
Een tumor, zeg je. Ik was acht,
mijn moeder merkte het. Een week
gewacht dan had ik niet geleefd.
(Procentueel het zicht, de kans.)
Alsof ik blind ben bied je mij
je arm. Je zegt, haak in. Je leidt
me verder dan mijn ogen reiken.
Het inzicht streeft het zicht voorbij.
Het is zoals je ziet, zeg jij,
een andere manier van kijken. |