|
welke
vriendin nam je mee
naar het bos in de auto
vaak in het najaar
zo rond je oktoberverjaardag
niet naar een naaldbos
(dat saaie seizoenloze groene)
maar naar een loofbos
dat regelmaat gaf aan je weerstand
licht op de bodem
een tik van de wind op je tanden
welke vriendin gaf de raad
om het grote te laten
en naar het kleine te reiken
gevallen kastanjes
vers uit de bolster
nog vochtig en na de geboorte
zacht opgewreven
en glanzend en rond van geluk
zoals het blonk
in de kleur van je jongere ogen
wie gaf de raad
om er steeds eentje bij je te dragen
als gladde krachtbron
verborgen houvast in je jaszak
juist groot genoeg
om het gat in je vuisten te vullen
juist warm genoeg
om te knijpen in tijden van ijzer
wie nam je mee naar het bos
toen je nog wilde lopen
daarna verliep herfst in winter
je lag en verstarde
of soms bewoog je met
pijnlijke draai je rollator
door een betoncolonnade
gedempt wars van daglicht
langs het gelid van de voordeur
tot voordeur tot voordeur
in de beslotenheid
van je afwezige buren
om ze bij binnenkomst
in dit occulte decor
troosteloos jouw
onafwendbare aanblik te bieden
wie zag je gaan
waarom komen de kinderen niet
ach
alle kinderen hadden hun sappen gegeven
misten het bloed om nog afstand te doen
van organen
luisterend oor
en het hart om te blijven herhalen
zo brak de kringloop
je wist je ten grave gedragen
tot op het bot van je donkere wonder
ontdaan
lange tijd liet ik je kleren
aan mij nagelaten
liggen op zwangere planken
met bittere kwasten
zonder een wandeling
tot ik toevallig je mantel
pakte en paste
na jaren en jaren niet dragen
jaren geen hand in de zakken
waar ik nu mijn handen
instak
de linker vindt niks en de rechter papieren
zakdoekjes
levens geleden tot propje verknepen
waarin volkomen verschrompeld
een wilde kastanje
Amsterdam, 14 januari 2006 © Catharina Blaauwendraad |