|
Eergisteren heb ik bij de middag over
poëziekritiek in Perdu mijn nek (weliswaar
in kleine kring) uitgestoken en geroepen dat de
longlist
voor de Publieksprijs 2005 zou aantonen dat de getalsverhouding tussen
professionele dichters / dichteressen in Nederland en Vlaanderen nog steeds
volkomen scheef zit.
En
zie: na onderzoek van de voorlopige
longlist
voor de Publieksprijs 2005 is de verhouding M/V = 108/32.
(Waarbij ik auteurs met meerdere bundels ook meerdere malen tel; bij bundels
met een auteursteam tel ik elke auteur van dat team één keer.)
Dit
vind ik schokkend. Vraag voor de grap eens aan een dichter hoe hij denkt
dat de verhoudingen dit jaar liggen. Als hij bij voorbaat gokt dat die
tegenwoordig wel min of meer gelijk liggen, is dat mijns inziens zelfs nog
schokkender.
Wat
mij steekt, in het algemeen, is dat mannen (en zij niet alleen!) wel erg
snel achterover leunen en roepen dat de historisch-sociologische
ongelijkheden
inmiddels wel zijn gladgestreken. Wel, in elk geval in Nederland, voegt men
er dan vaak relativerend aan toe.
Het
doet me denken aan een onderzoek (waarvan
Psychologie of
Opzij jaren terug melding maakte) naar de
vermeende kwebbelziekte van vrouwen:
Er
werden geluidsopnames van gesprekken tussen mannen en vrouwen
afgespeeld voor een testgroep. Deze groep moest aangeven in welke opname de
vrouw "irritant veel" aan het woord was. Mannen meenden dat de vrouw de
discussie overmatig domineerde wanneer zij 40%* van de tijd aan het woord was
- dus nog altijd minder dan de man.
Dat
is mijn grootste grief: vrouwen claimen volgens mannen al te veel wanneer ze
nog niet eens halverwege zijn, en hebben volgens mannen al een
gelijkwaardige positie wanneer ze in bijna alle (prestigieuze) beroepen
ondervertegenwoordigd zijn.
Maar
zodra ik deze mening ergens ventileer, word ik door veel mannen meteen
behandeld als een rabiate feministe. Mij valt trouwens op, dat jonge mannen
daarin veel achterlijker zijn dan mannen van mijn leeftijd.
* als ik het me goed herinner, ik ben nog op
zoek naar de bron |